Tuesday, April 7, 2015

Erik of het klein insectenboek

Erik of het klein insectenboek, Godfried Bomans.

Ik vind dit een mooi boek. Het is goed geschreven en blijft interessant.
Erik leert steeds nieuwe insecten kennen, die allemaal heel verschillend qua gewoonten en persoonlijkheid zijn. De schrijver lijkt zich echt ingeleefd te hebben in de verschillende insecten. De karakters zijn stuk voor stuk interessant, en ook Erik is een fijn persoon om over te lezen. Ik vind dit boek fijner dan Spek in de val omdat het hier een stuk makkelijker is om in het verhaal te komen, en het te volgen.
Toch zit hier zeker wel diepgang in, en soms gebeurt er iets onverwachts waar je even wat langer over na moet denken voordat je het begrijpt. Of je leest gewoon door, natuurlijk.
Ik vind de moraal van dit verhaal ook erg mooi, en het is erg goed uitgewerkt.
Ook is het duidelijk dat meneer Bomans wel heel wat weet van dit onderwerp. Of hij zoog alles uit zijn duim natuurlijk, dat is in zijn geval ook redelijk aannemelijk. Maar de informatie in dit boek komt zeker geloofwaardig over, wat knap is, ook omdat in de tijd van schrijven de technologie die gebruikt werd om insecten te bestuderen nog heel wat minder geavanceerd was.

Samenvatting van Gerrine, uit vwo 6, op scholieren.com.
Erik Pinksterblom ligt in zijn bed, maar hij probeert niet in slaap te vallen, omdat hij het gevoel heeft dat er iets bijzonders gaat gebeuren. In gedachten herhaalt hij wat hij die middag geleerd heeft uit ‘Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’, want de volgende dag heeft hij een proefwerk over de insecten. Hij bekijkt het schilderij ‘Wollewei’, waarop een weiland met schapen, een herder en allerlei mogelijke insecten staan afgebeeld. Erik bedenkt dat het fijn zou zijn om in de wereld van het schilderij te leven; er zijn immers geen verplichtingen. Opeens ziet hij de schilderijen van grootvader en grootmoeder Pinksterblom bewegen. Zijn grootmoeder stapt uit haar lijst en vertelt hem dat alle schilderijen leven, ook ‘Wollewei’. Dan wordt Erik plotseling steeds kleiner, zo klein dat hij in het schilderij kan stappen. Zo komt hij terecht in de wereld van het schilderij, het land Wollewei. 

Hier ontmoet Erik allerlei insecten. Als eerste komt hij in contact met de wespenfamilie Van Vliesvleugel, een adellijke familie die benadrukt dat het hebben van adellijk bloed belangrijker is dan het hebben van geld (hoewel dat natuurlijk wel handig is). Na een gezamenlijke maaltijd vliegt Erik per hommel naar een hotel, waar hij de nacht kan doorbrengen. De eigenaar van het hotel is een slak en het hotel zelf is het huis van een reuzenslak uit de ijstijd. Erik verbaast de hotelgasten door, zonder dat ze zich voorgesteld hebben, te weten wie ze zijn. Ze zijn allemaal erg benieuwd naar de inhoud van ‘Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie’: doen ze het wel zoals het in het boekje staat? Maar al snel zijn de insecten weer slechts geïnteresseerd in zichzelf. Dan ontmoet Erik een vlinder, die erg aardig blijkt te zijn. Hij neemt de vlinder in vertrouwen en deze belooft dat hij Erik zal helpen bij het terugvinden van de lijst van het schilderij. Samen hebben ze een erg plezierige tijd, maar de lijst vinden ze niet. De vlinder verlaat Erik als hij verliefd wordt op een vlindermeisje en kort daarna met haar trouwt. Erik is weer alleen. Hij heeft honger, en hoe havenlozer hij eruit ziet, hoe brutaler de insecten zich tegen hem gedragen. Dan ontmoet hij een doodgraver, die hem uitnodigt voor de maaltijd. 
De familie wordt echter opgegeten door een mol en Erik vervolgt zijn zwerftocht weer. Hij ontmoet een regenworm, die zo kronkelt dat hij een onontwarbare knoop in zichzelf legt, en komt in contact met een grote mierenkolonie. Hier wordt hij gastvrij onthaald; de mieren hebben al over hem gehoord en zijn benieuwd naar zijn kennis uit Solms. Erik blijft een tijdje bij de mieren, maar tijdens een feestelijke maaltijd wordt het hem teveel. Hij begint te huilen van heimwee. De mieren beloven hem dan te helpen met het vinden van de lijst. Met z’n allen trekken ze er de volgende dag op uit. Echter, onderweg komen ze een ander mierenleger tegen en er ontstaat een veldslag. Tijdens het gevecht krijgt Erik een straal mierenzuur in zijn ogen…en als hij zijn ogen weer opendoet, zit hij rechtop in zijn bed. Het lijkt een droom te zijn geweest: de schilderijen houden zich roerloos, geen van zijn huisgenoten heeft hem gemist en het proefwerk over insecten heeft hij diezelfde dag. Dit proefwerk maakt hij echter erg slecht, omdat hij dingen opschrijft die niet in Solms staan. Erik hoopt dat hij ooit nog eens terug mag gaan naar de wereld van ‘Wollewei’, maar het wonder gebeurt nooit weer. 

A. Perspectief
Erik of het klein insectenboek wordt verteld door een verteller. Het is volgens mij geen alwetende verteller (of anders houdt hij dingen achter), dus is het geschreven in een personaal perspectief, met Erik als die persoon.
Ik denk dat dit een goede keuze is geweest.

Dit is het stukje nadat Erik bij de familie Vliesvleugel (wespen) een loflied over de bijen heeft gezongen:
‘Er komt nog een stukje aan,’ zei Erik hijgend, (want hij had het lied vol vuur gezongen), ‘maar u hebt nu tenminste een indruk hoezeer wij, mensen, de bijen hoogschatten.’ Hij keek rond om de toejuichingen van de familie in ontvangst te nemen, doch tot zijn grote ontsteltenis volgde er een diep zwijgen. Ieder keek op zijn bord neer, en meneer P. stond zelfs op en ging de kamer uit.
‘Meneer Pinksterblom,’ sprak mevrouw Van Vliesvleugel na enige stilte, ‘ik geloof dat uw goede bedoelingen boven alle twijfel verheven zijn. Doch u hebt ons allen pijnlijk getroffen.’
‘Het spijt me verschrikkelijk,’ stamelde Erik.
Er volgde een tijdlang stilte. Ditmaal was het meneer Van Vliesvleugel die het woord nam: ‘U hebt een loflied gezongen, meneer Pinksterblom, op die tak van onze familie waarop ik reeds eerder zinspeelde.’
‘De Liesheuveltjes?’ vroeg Erik verschrikt.
‘De Liesheuveltjes,’ knikte meneer Van Vliesvleugel, ‘uit uw verbazing blijkt uw goede trouw. Ik beschouw het incident als gesloten. Wilt u mij de stuifmeel even aanreiken?’

Nu zal ik dit herschrijven vanuit ik-perspectief, met mevrouw Van Vliesvleugel als hoofdpersoon.

‘Er komt nog een stukje aan,’ zei Erik hijgend, ‘maar u hebt nu tenminste een indruk hoezeer wij, mensen, de bijen hoogschatten.’ Een diep zwijgen volgde, terwijl Eriks gezichtsuitdrukking betrok. Tot mijn schrik stond meneer P. op en liep hij de kamer uit.
‘Meneer Pinksterblom,’ zei ik om hem toch enigszins op z’n gemak te stellen, ‘ik geloof dat uw goede bedoelingen boven alle twijfel verheven zijn. Doch u hebt ons allen pijnlijk getroffen.’
‘Het spijt me verschrikkelijk,’ zei Erik alleen maar.
Er volgde een tijdlang stilte. Nu nam mijn man gelukkig het woord: ‘U hebt een loflied gezongen, meneer Pinksterblom, op die tak van onze familie waarop ik reeds eerder zinspeelde.’
‘De Liesheuveltjes?’ vroeg Erik, een raar gezicht trekkend.
‘De Liesheuveltjes,’ knikte Hendrik, ‘uit uw verbazing blijkt uw goede trouw. Ik beschouw het incident als gesloten. Wilt u mij de stuifmeel even aanreiken?’

Deze versie lezend heb je waarschijnlijk heel wat minder empathie met Erik.


Vervolgens leek het me wel leuk om te proberen in een scène wat verschillen te maken door gebruik te maken van het auctoriaal perspectief. Ik gebruik hiervoor een fragment dat zich iets na het vorige afspeelt.

‘Dat komt mooi uit,’ sprak meneer, ‘een bassist hebben wij niet. Wilt u ons maar volgen?’
In de kamer ernaast aangekomen, zag Erik tot zijn grote schrik dat de instrumenten uit levende bromvliegen bestonden, die op hun rug op tafel lagen, de pootjes in de hoogte, en een snaar over hun buikje gespannen.
‘Zijn jullie gestemd?’ vroeg meneer Van Vliesvleugel, met zijn strijkstok op een van de vliegen tikkend.
‘Jawel meneer,’ antwoordde deze onderworpen, ‘maar ik geloof dat ik iets gezakt ben. Als u mij even wilt aanspannen?’
Meneer Van Vliesvleugel draaide de snaar een slagje aan en streek: het klonk zeer welluidend.
Uw instrument staat daar, in de hoek,’ sprak de wesp.
Erik draaide zich om en zag tot zijn schrik een geweldige bromvlieg schuin tegen de muur staan. Hij reikte Erik zelf de strijkstok aan. ‘Wilt u in het begin een beetje zacht strijken, meneer,’ verzocht hij eerbiedig, ‘ik sta hier al een half jaar zonder dat er op mij gespeeld is, en ik moet er even in komen.’ Na deze woorden ging hij op zijn rug liggen en wachtte berustend af. Erik beefde zo, dat hij de stok liet vallen; er stonden twee tranen in zijn ogen.

Nu zal ik het herschrijven met een alwetende verteller.

‘Dat komt mooi uit,’ sprak meneer, ‘een bassist hebben wij niet. Wilt u ons maar volgen?’
Erik volgde hem nietsvermoedend naar de kamer met de instrumenten: levende bromvliegen, die op hun rug op tafel lagen, de pootjes in de hoogte, en een snaar over hun buikje gespannen.
Hij ging naar binnen en schrok.
‘Zijn jullie gestemd?’ vroeg meneer Van Vliesvleugel, met zijn strijkstok op een van de vliegen tikkend.
‘Jawel meneer,’ antwoordde deze onderworpen, ‘maar ik geloof dat ik iets gezakt ben. Als u mij even wilt aanspannen?’
Meneer Van Vliesvleugel draaide de snaar een slagje aan en streek: het klonk zeer welluidend.
De wesp had voor Erik een geweldige bromvlieg uitgezocht, die hij Erik aanwees: ‘Uw instrument staat daar, in de hoek.’ De bromvlieg reikte Erik zelf de strijkstok aan. ‘Wilt u in het begin een beetje zacht strijken, meneer,’ verzocht hij eerbiedig, ‘ik sta hier al een half jaar zonder dat er op mij gespeeld is, en ik moet er even in komen.’ Erik zou hier echter al snel niet meer aan denken. Nadat de bromvlieg dit gezegd had ging hij op zijn rug liggen en wachtte berustend af. Erik beefde zo, dat hij de stok liet vallen; er stonden twee tranen in zijn ogen, waar een paar minuten later meer reden voor zou zijn.

Door het auctoriaal perspectief weet je al veel verder van tevoren dat er hoogstwaarschijnlijk iets mis gaat gaan, en weet je dingen al voordat Erik ze zelf weet.